transparencia:cadas:abelfedcadapub:advies-2010-62:start
Table des matières
Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis
Advies 62
Over de weigering om toegang te verlenen tot een fiscaal dossier
Date: 8/11/2010
- Copie locale: advies-2010-62.pdf
Transposition
Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten
Afdeling openbaarheid van bestuur
8 november 2010
ADVIES 2010-62
over de weigering om toegang te verlenen tot een
fiscaal dossier
(CTB/2010/58)
2
1. Een overzicht
Bij brief van 6 augustus 2010 vroeg de heer Alexander Delafonteyne
namens zijn cliënten, mevrouw X, mevrouw Y en mevrouw Z, aan de
heer Bob Westerlinck in zijn hoedanigheid van advocaat van de FOD
Financiën, om een afschrift van het volledige administratieve dossier
091706 met inventaris.
Bij brief van 31 augustus 2010 antwoordde de heer Bob Westerlinck
namens de FOD Financiën dat het onmogelijk is gezien de
omvangrijkheid van het dossier om een fotokopie van het hele dossier te
bezorgen. De FOD Financiën is wel bereid inzage te verlenen met
kopiename van het gedingdossier (inclusief de stukken uit het
strafdossier die werden gekopieerd bij de inzage van het strafdossier op
25 maart 2002 als gevolg van de toelating van de procureur-generaal op
31 januari 2002) bij de BTW Directie Gent, Gaston Crommenlaan 6/601,
9050 Gent, na telefonische afspraak.
Bij brief van 8 september 2010 verklaart de heer Delafonteyne aan de
heer Bob Westerlinck dat hij het niet eens is met dit standpunt en
verzoekt nogmaals om een kopie van het volledige dossier te bezorgen.
Bij brief van 27 september 2010 wijst de heer Bob Westerlinck de
aanvraag opnieuw af op grond van volgende rechtsgronden:
- artikel 6, § 3, 3° van de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur, op grond waarvan de aanvraag kan
worden geweigerd omdat de aanvraag kennelijk onredelijk is,
want ze belemmert de werking van de diensten;
- artikel 6, § 3, 4° van de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur op grond waarvan de aanvraag kan
worden geweigerd omdat niet uitdrukkelijk is vermeld op welke
bestuursdocumenten de aanvraag precies betrekking heeft.
Bij brief van 7 oktober 2010 verzoekt de heer Delafonteyne de
Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van
bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur, hierna
Commissie genoemd, om een advies. Het secretariaat van de Commissie
ontvangt deze aanvraag op 13 oktober 2010. Er moet echter worden
vastgesteld dat de adviesaanvraag twee data draagt, namelijk 7 oktober en
8 oktober.
3
In deze brief vermeldt de heer Delafonteyne dat hij op 8 oktober 2010
een verzoek tot heroverweging heeft gericht aan de gewestelijke directie
van de BTW Gent.
Omdat de bijlagen ontbreken verzoekt het secretariaat van de Commissie
bij mail van 13 oktober 2010 dat de aanvrager de ontbrekende stukken
bezorgt.
Bij mail van 13 oktober 2010 krijgt het secretariaat van de Commissie de
ontbrekende bijlagen. Een kopie van het verzoek tot heroverweging
werd echter niet bezorgd.
2. Ontvankelijkheid
De Commissie is van mening dat het verzoek om advies ontvankelijk is.
Artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid
van bestuur bepaalt dat wie moeilijkheden ondervindt om toegang te
krijgen tot een bestuursdocument, een verzoek tot heroverweging kan
indienen bij de federale administratieve overheid die niet op het verzoek
tot openbaarmaking is ingegaan. Tegelijkertijd dient dan wel een verzoek
om advies aan de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten te
worden gericht.
De Commissie stelt vast dat werd voldaan aan de wettelijke voorwaarde
van de gelijktijdigheid: ook al draagt het verzoek om advies twee data,
toch is de Commissie van mening dat dit het gevolg is van een materiële
fout en dat 8 oktober de datum is van het verzoek om advies, dezelfde
datum van het verzoek tot heroverweging.
De Commissie stelt echter vast dat de aanvrager zijn oorspronkelijke
aanvraag heeft gericht aan de heer Bob Westerlinck, advocaat die
optreedt namens de FOD Financiën, Directie BTW Gent in een
gerechtelijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
Artikel 5 van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat de vraag schriftelijk
aan de bevoegde federale administratieve overheid moet worden gericht
en artikel 8, § 5 van dezelfde wet bepaalt dat de beslissing over de
aanvraag door de federale administratieve overheid moet worden
genomen.
4
De Commissie wenst op te merken dat de aanvrager zijn oorspronkelijke
aanvraag had dienen te richten aan de FOD Financiën en niet aan diens
raadsman. Dit doet geenszins afbreuk aan de deontologische regels van
de advocaat die zich in principe steeds dient te wenden tot de raadsman
van zijn cliënt. In het advies 229 oordeelde de Commissie deontologie
van de Orde van advocaten immers het volgende:
“De Commissie is van mening dat de administratie, ook wanneer ze
betrokken is in een zaak, nog steeds als administratie moet blijven
werken en dus mag aangeschreven worden en dat zij haar wettelijke
verplichtingen verder moet blijven uitoefenen zonder dat een advocaat
een beroep moet doen op de advocaat van de administratie om de
normale toegang te bekomen tot die stukken waarop hij of zijn cliënt
volgens de wet recht heeft.
Er moet dus geen ommetje gemaakt worden telkens langs de advocaat
van de administratie om de stukken in dergelijke gevallen te bekomen.”
De Commissie stelt vast dat de heer Bob Westerlinck, de advocaat die
namens de FOD Financiën optreedt in het geschil met de cliënten van de
heer Delafonteyne, namens de FOD Financiën heeft geantwoord. Dit is
echter niet het geval voor het antwoord dat werd gegeven in de brief van
27 september 2010. Bovendien doet deze brief twijfel rijzen over de
vraag of de beslissing over de weigering tot openbaarmaking wel degelijk
een beslissing is die door de FOD Financiën werd genomen. De
Commissie heeft vroeger reeds geoordeeld dat een beslissing over een
vraag tot openbaarmaking op grond van de wet van 11 april 1994 enkel
door de FOD Financiën kan worden genomen en niet door haar
raadsman. De brief van de heer Delafonteyne aan de heer Westerlinck
van 8 september kan dan ook niet worden gezien als een rechtsgeldig
verzoek tot heroverweging en het antwoord van de heer Westerlinck
van 27 september 2010 kan niet worden gezien als een beslissing over
een verzoek tot heroverweging.
De Commissie meent daarom dat de brief van 8 oktober 2010, gericht aan
de Directie BTW van Gent moet worden beschouwd als het verzoek tot
heroverweging. De beslissing hierover kan enkel worden genomen door
de FOD Financiën.
5
3. Gegrondheid
De Commissie is van mening dat de FOD Financiën geen wettige
gronden aanhaalt waarom zij niet wenst in te gaan op de aanvraag tot
openbaarmaking in de vorm van het verlenen van een kopie van de
documenten in het administratief dossier van betrokkenen. Artikel 32
van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur gaan uit van de principiële openbaarheid van
alle bestuursdocumenten. Enkel wanneer een wettelijke grondslag kan
worden ingeroepen en deze in concreto en op pertinente wijze kan
worden gemotiveerd, moet of kan de openbaarmaking worden
geweigerd. Het inroepen van algemene stijlformules is onvoldoende.
In elk geval kan de openbaarmaking niet worden geweigerd omdat de
aanvraag te vaag zou zijn. Artikel 5 van de wet van 11 april 1994 vereist
immers niet dat de aanvrager de betrokken bestuursdocumenten
vermeldt. Het is voldoende dat hij de betrokken aangelegenheid
vermeldt. De verwijzing naar het dossier waarvan hij een kopie van de
daarin aanwezige bestuursdocumenten wenst in te zien, is voldoende
nauwkeurig omschreven. Er kan ook niet zomaar worden beweerd dat de
vraag kennelijk onredelijk is aangezien de kennelijke onredelijkheid van
de aanvraag niet in concreto is aangetoond (bijvoorbeeld door het
aangeven van het concrete aantal pagina’s van het dossier van het dossier
in de beslissing te vermelden).
Brussel, 8 november 2010.
F. SCHRAM J. BAERT
secretaris voorzitter
transparencia/cadas/abelfedcadapub/advies-2010-62/start.txt · Dernière modification : de 127.0.0.1
